De situatie
De voorzitter van de OR van VZA treedt op 13 april 2011 vervroegd uit. Voor die tijd moet hij zijn openstaand verlof – 14 maanden – opnemen. De werknemer gaat op 24 januari met verlof en aansluitend zal hij uittreden. De werkgever stelt dat het OR-lidmaatschap van de voorzitter op 24 januari van rechtswege eindigt. Als het lidmaatschap niet eindigt, kan de werknemer kan hoogstens nog passief lid zijn.
De vordering
In een kort geding vordert de OR dat de werkgever de voorzitter weer in gelegenheid stelt om werkzaamheden voor de OR te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag. Er is geen wettelijke basis voor de beëindiging van het OR-lidmaatschap.
Het oordeel
De vraag is of het lidmaatschap van de voorzitter eindigt nu hij feitelijk niet meer terugkomt als werknemer in de organisatie. De WOR geeft aan dat het OR-lidmaatschap eindigt als een werknemer niet meer juridisch en feitelijk werkzaam is in de onderneming. De rechter overweegt dat, juridisch gezien, de voorzitter nog werkzaam is. Op papier is hij namelijk nog niet uitgetreden.
Er is geen wettelijke basis om een OR-lid tijdens vakantie of verlof het uitvoeren van zijn OR-werkzaamheden te ontzeggen. De voorzitter mag dus zijn werkzaamheden gewoon uitvoeren. Dat de voorzitter over toekomstige zaken – die hem niet meer zullen raken – moet beslissen, leidt niet tot een ander oordeel. OR-leden die tot aan hun pensioen lid blijven, beslissen ook over zaken die hen niet meer aangaan.
De rechter laat ook meewegen dat medezeggenschap een fundamenteel recht is van werknemers dat niet zonder meer ingeperkt mag worden.
De kantonrechter wijst de gevraagde ordemaatregel toe. De werkgever moet de OR-voorzitter in staat stellen zijn OR-werkzaamheden te doen op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag.
Bron:
LJN BM0953, Kantonrechter Amsterdam
Einde OR lidmaatschap
Kort geding, 01 maart 2010
Door mr. Ingrid Kooijman












