Verschillende tussentijdse onderzoeken wezen er al op: de levensloopregeling is niet populair. Onderzoek van het CBS bevestigt dit: in 2006 nam slechts 5,5 procent van de werkzame beroepsbevolking deel aan de regeling.
Eerder stoppen of ouderschapsverlof
De helft van de deelnemers wil delevensloopregeling gebruiken om eerder te kunnen stoppen met werken. Zo’n 6 procent denkt aan ouderschapsverlof. Andere vormen van verlof waarvoor gespaard kan worden – zoals voor studie, vrijwilligerswerk of zorg voor een naaste – worden nauwelijks genoemd als reden. De levensloopregeling is in 2006 ingevoerd. Een deel van het brutosalaris kan worden gespaard om in de toekomst een periode van onbetaald verlof te financieren. De al langer bestaande spaarloonregeling, waarmee voor allerlei doeleinden geld gespaard kan worden, is met een deelname van 43 procent veel populairder. Werknemers kunnen niet aan beide regelingen tegelijk deelnemen. Wel kan elk jaar opnieuw worden gekozen tussen de levensloop- en de spaarloonregeling.
Uit onderzoek van Intomart GfK in december 2006 bleek al dat nog maar 18 procent van de werknemers positief oordeelt over de levensloopregeling. Twee jaar geleden was dat nog twee keer zoveel. Onder werkgevers wil 7 procent bijdragen aan de levensloopregeling, tegen 21 procent ervoor. Vooral in het midden- en kleinbedrijf stuit levensloop op veel verzet. Maar ook in het grootbedrijf is de interesse niet groot. Zo zijn er op de zestigduizend werknemers van Ahold in Nederland amper 150 deelnemers te vinden












